kleurenweelde

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een prachtige hoeveelheid kleuren
    Hij zag er al de uit het Westland aangekomen vruchten in het kapellicht gloeien, de zolder had vòor en achter kapellicht; de lange vlaggestok dien ze voor een klant bewaarden, lag er bijna als een maatstok neêr; wat een gaafheid, wat een kleurenweelde; ze kregen het nooit op, appelen, geel en rood, soms bevlamd met rood en soms een beetje groen nog.