klimaat

onzijdig (het)/kliˈmat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde, klimatologie (aardrijkskunde) (klimatologie) de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
    Wij hebben op aarde een leefbaar klimaat.
  2. aanwezige toestand, geheel van omstandigheden
    In deze onderneming heerst een goed klimaat.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘natuurlijke gesteldheid van lucht en weer’ voor het eerst aangetroffen in 1485

Vertalingen

Engelsclimate
Fransclimat
DuitsKlima
Spaansclima
Italiaansclima
Portugeesclima
Russischклимат
Chinees氣候
Japans気候
Koreaans기후
Arabischمناخ
Turksİklim
Poolsklimat
Zweedsklimat
Deensklima