klokhen
vrouwelijk (de)/ˈklɔkhɛn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) vrouwtje van een hoenderachtige (en dan vooral kip) die kuikens heeft, broedende hen
Etymologie
* , in de betekenis van ‘kloek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek