klokspijs
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (metallurgie) legering waarvan men klokken giet, te weten in de regel een mengsel van ongeveer 80% koper, 18-24% tin en maximaal 4% verontreiniging
- (voeding) Voedsel of lekkernijen die men graag of makkelijk eet.
Etymologie
*Voor [2] wordt ook verband gelegd met gulzig klokkend inslikken
Vertalingen
Engelsbell metal
Spaansmetal de campana
Zweedsklockmetall
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek