kluiver

mannelijk (de)/ˈklœyvər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) driehoekig zeil aan de boegspriet (kluifhout) van een schip, een kluiffok
  2. iemand die kluift, die van lekker en veel eten houdt
  3. verouderd, beroep, juridisch (verouderd) (beroep) (juridisch) gerechtsdienaar

Etymologie

*afgeleid van kluiven

Vertalingen

Spaansfoque