kluts

mannelijk/vrouwelijk (de)/klʏts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ritmische beweging, slag
    Hij is de kluts kwijt.
  2. chaotische situatie in het voetbal

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘koppeling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1936

Uitdrukkingen

  • de kluts kwijtrakenniet meer weten wat men doet