knak

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kort, droog geluid van iets dat breekt (knakt)
  2. breuk, waarbij de delen blijven samenhangen
  3. beschadiging, schade
  4. sigaar met een knik erin en een spitse punt, bolknak

Etymologie

* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1646

Vertalingen

DuitsKnacks, Sprung, Knacks