knarsen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegenHet roestige scharnier knarste en Jan haalde de oliespuit voor de dag.
Etymologie
* In de betekenis van ‘een schurend geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1461
Vertalingen
Duitsknarren, quietschen
Spaansrechinar
Deenssmælde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek