knechtschap

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het moeten gehoorzamen en dienen van een meester
    Hij bepraatte haar, begeesterde haar... en zij, afgestompt door bijna twee jaar Canadees knechtschap, liet zich meeslepen door zijn enthousiasme, zijn goddelijke bevlieging, waarin ze onmogelijk zijn venijn en razernij van de sneeuwnacht van '77 kon ontdekken.
    Het was Gods onuitsprekelijke trouw en genade, in de Zoon van Zijn liefde, Die zo’n zondaar verwaardigt tot het kindschap en tot het knechtschap.
    Hier krijgt het begrip 'gotspe' uit zijn mond een nieuwe dimensie. Het Monument op de Dam herinnert ons 365 dagen per jaar aan de donkere jaren van verlies van nationale identiteit, willekeur, knechtschap, dictatuur, executies.

Etymologie

* afleiding van knecht

Vertalingen

Engelsthraldom, bondservice, bondage