kniebuiging

vrouwelijk (de)/ˈknibœyɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vanuit een staande positie door de benen zakken tot een min of meer gehurkte houding
  2. sport (sport) als vorm van lichaamsbeweging
    Het zijn rustige oefeningen, vooral veel varianten op diepe kniebuigingen, en je kunt ze thuis doen, dus mijn man doet mee.
  3. cultuur (cultuur) als eerbetoon aan een hogergeplaatste (persoon of godheid)
    In 2018 veroorzaakte Kneissl, toen minister in de rechts-populistische en pro-Russische FPÖ-regering, een rel door president Poetin als eregast op haar bruiloft uit te nodigen en met hem de wals te dansen. Vooral de kniebuiging die zij na afloop maakte, kwam haar op kritiek te staan en leidde tot opgetrokken wenkbrauwen in Europese hoofdsteden.
  4. op nederige wijze uitgevoerde inwilliging van een wens van een ander
    Verkiezingspraat of niet, de rentevergadering van het Federal Open Market Committee vandaag krijgt opeens een onbedoelde lading. Een al lang voorgenomen renteverhoging voelt als een kniebuiging voor Trump.
  5. anatomie, verouderd (anatomie) (verouderd) gewricht tussen het bovenbeen en het onderbeen
    {{ouds

Etymologie

*Leenvertaling van Frans "génuflexion" (uit Kerklatijn "genuflectio"), voor het eerst aangetroffen in de Nederlandse vertaling van [https://fr.wikipedia.org/wiki/Andr%C3%A9_du_Ryer André du Ryer], L'Alcoran de Mahomet (1647), in 1658.

Vertalingen

Engelsgenuflection, squat, kowtow
Fransgénuflexion, génuflexion, squat
DuitsNiederknien, Kniebeuge, Kniefall
Spaansgenuflexión, sentadilla
Italiaansgenuflessione