knik

mannelijk (de)/knɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een snelle neerwaartse beweging met het hoofd als bevestiging of groet
    Met een knikje gaf hij het teken de deur in te rammen.
  2. een geknakte plek
    De bochten in de pvc-buis zijn gebogen met behulp van een buigveer zodat er geen knikken zijn ontstaan.