knikken

/'knɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een verticale beweging met het hoofd maken
    Hij knikte een snelle groet in het voorbijgaan.
    Vriendelijk knikken we naar boer en de hond, die nog een laatste keer zijn tanden aan ons laat zien.
    Ik knikte en wees naar beneden in de richting van de groene plas.
  2. buigen van de knieën
    Ze voelt haar knieën knikken en zoekt steun bij een stoel.
  3. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) hoekig buigen

Etymologie

* In de betekenis van ‘het hoofd heen en weer bewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1300

Vertalingen

Engelsnod
Franshocher
Duitsnicken
Spaanscabecear
Zweedsnicka
Deensnikke