knip

mannelijk/vrouwelijk (de)/knɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een knippend geluid of een knippende beweging
  2. informeel (informeel) portemonnee
    Joviaal trok hij de knip en betaalde de rekening.
  3. techniek (techniek) schuifsluiting op een deur
    De dieven kwamen binnen door via de brievenbus de knip van de deur te halen.
  4. materiaalkunde (materiaalkunde) zeer taaie kleisoort

Etymologie

* In de betekenis van ‘(vogel)val’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485

Uitdrukkingen

  • Geen knip voor de neus waard zijnNiets waard zijn
  • Iets in de knip hebbenIets behaald hebben
  • De hand op de knip houdenNiets of heel weinig uitgeven, zuinig zijn
  • De knip trekkenBetalen voor iets