knol

mannelijk (de)/knɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) een verdikte wortelstok waarin een plant voedsel opslaat
  2. groente (groente) koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica
    We hebben gisteren een knolletje gegeten.
  3. onevenhoevigen, informeel (onevenhoevigen), (informeel) een veelal oud en aftands werkpaard
    En [dit was] niet zomaar een knol, maar Roccinant, het paard van Don Quichot.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vlezige wortel’ voor het eerst aangetroffen in 1515

Vertalingen

Engelstuber, turnip, jade
Franstubercule, navet, canasson
DuitsKnolle, Rübe, Gaul
Spaanstubérculo, nabo, rocín