knop

mannelijk (de)/knɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) klein, meestal rond, uitstekend deel van een apparaat bedoeld om in te drukken ter besturing ervan
    Druk op de knop om het afspelen te starten.
  2. begin van een uitloper zoals tak, blad of bloem van een plant
    De bloem zit nog in de knop.
  3. uiteinde van een steekwapen aan de kant van het handvat

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "cnop" of "cnoop" van Oudnederlands "knop", in de betekenis van ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’ aangetroffen vanaf 1240, in de betekenis "knobbel" vanaf 1122

Uitdrukkingen

  • Aan de knoppen zittenErgens de leiding over hebben
  • De knop gaat omEr verandert iets
  • De knop omzettenEen drastische verandering doorvoeren
  • De rode knopEen knop waarmee iets gevaarlijks in werking kan worden gesteld; meer specifiek de mogelijkheid om kernwapens te activeren
  • Naar de knoppen gaanKapotgaan, verpest/vernietigd etc. worden
  • Naar de knoppen helpenBederven, kapotmaken, verpesten
  • In de knop gebroken worden/zijnIn een vroeg stadium alweer worden afgebroken (m.n. van iets wat veelbelovend leek)