knop
mannelijk (de)/knɔp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) klein, meestal rond, uitstekend deel van een apparaat bedoeld om in te drukken ter besturing ervanDruk op de knop om het afspelen te starten.
- begin van een uitloper zoals tak, blad of bloem van een plantDe bloem zit nog in de knop.
- uiteinde van een steekwapen aan de kant van het handvat
Etymologie
*(erfwoord), via Middelnederlands "cnop" of "cnoop" van Oudnederlands "knop", in de betekenis van ‘rond voorwerp als versiering, bescherming of handvat’ aangetroffen vanaf 1240, in de betekenis "knobbel" vanaf 1122
Uitdrukkingen
- Aan de knoppen zitten — Ergens de leiding over hebben
- De knop gaat om — Er verandert iets
- De knop omzetten — Een drastische verandering doorvoeren
- De rode knop — Een knop waarmee iets gevaarlijks in werking kan worden gesteld; meer specifiek de mogelijkheid om kernwapens te activeren
- Naar de knoppen gaan — Kapotgaan, verpest/vernietigd etc. worden
- Naar de knoppen helpen — Bederven, kapotmaken, verpesten
- In de knop gebroken worden/zijn — In een vroeg stadium alweer worden afgebroken (m.n. van iets wat veelbelovend leek)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek