knopen
Betekenis
werkwoord
- (ov) een vastzittende lus in een koord, draad of touw makenHij was het net aan het knopen.
Etymologie
*afgeleid van knoop
Uitdrukkingen
- Knoop dat in je oren! — Vergeet dat nooit meer!
- De eindjes (stukjes touw) aan elkaar knopen. — Van armoede zich moeten behelpen.
Vertalingen
Engelstie, knot
Fransnouer
Duitsknoten
Spaansanudar, atar
Italiaanslegare
Poolswiązać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek