knot

mannelijk/vrouwelijk (de)/knɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rond zichzelf opgewonden draad of bundel draden, vezels of haar
    Mijn oma droeg haar prachtige haar, dat langer was dan zijzelf, altijd op een knot.
zelfstandig naamwoord
  1. steltloperachtigen (steltloperachtigen) bepaald soort kustvogel,

Etymologie

*[B] (eponiem), vergelijk "knot", volgens een overlevering genoemd naar 11e-eeuwse koning van Engeland, Denemarken en Noorwegen