knots
mannelijk/vrouwelijk (de)/knɔts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stok met een dikker uiteindeDe boze holbewoner sloeg met zijn knots op de rots.
- (informeel) iets grootsEen knots van een gebouw.
Etymologie
#idioot, gek
Vertalingen
Spaansbastos, clava, porra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek