koddebeier

mannelijk (de)/ˈkɔdəˌbɛijər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een politieagent of veldwachter
    Ik wist op dat moment intussen nog van niks, want in diepe slaap. Tot iemand mijn slaapkamerdeur opendeed en met een zaklamp in mijn gezicht scheen. Inbrekers, dacht ik, dus ik schreeuwde dat ze moesten opduvelen. De zaklamp verroerde zich niet en zei: „Weten wij misschien of hier ene De B. woont?” Koddebeiers. De B. zal wel iets hebben uitgevreten, bedacht ik snel, en heeft zich ergens bovenin het huis verstopt. „De B., zegt u? Nooit van gehoord. Die woont hier niet.” NRC Menno Steketee 26 juli 2011 [https://www.nrc.nl/nieuws/2011/07/25/mexicaans-eten-als-excuus-a1474674 Mexicaans eten als excuus]

Etymologie

*De term is een samenvoeging van het woord kodde (knuppel) en beieren (zwaaien, slingeren, luiden), en betekent in deze samenvoeging "knuppelzwaaier". Mogelijk is het woord afgeleid van het Oudhollandse spreekwoord "Ergens de scepter over zwaaien".