koers
mannelijk (de)/kurs/
Wat is de betekenis van koers?
koers betekent: (scheepvaart) (luchtvaart) richting die een vaartuig of een vliegtuig in verloop van tijd aanhoudt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (luchtvaart) richting die een vaartuig of een vliegtuig in verloop van tijd aanhoudt
- (figuurlijk) richting waarin verplaatsingen of ontwikkelingen gaan
- (effectenhandel) ontwikkeling van de waarde van verhandelbare waardepapieren als obligaties, aandelen en opties
- (financieel) waarde in verhouding tot die van andere valuta
- (sport) snelheidswedstrijd, met name van wielrenners, paarden of honden
Voorbeelden van "koers" in een zin
- Boven het overspoelde land van Schouwen-Duiveland vloog hij, om vervolgens koers te zetten naar Goeree-Overflakkee.
- Nu Gorgel er niet meer bij is om ons door het landschap te loodsen, bedient Lauren de app waarop we de koers van onze tocht kunnen volgen, een navigatie-app die begint te piepen zodra we een verkeerde route inslaan.
- Ik ben veel dank verschuldigd aan: mijn geweldige agent, Juliet Mushens, voor haar onwankelbare steun, zorg en advies, zowel bij het schrijven van dit boek als daarbuiten, en aan Jenny Bent, die de koers van dit boek in de Verenigde Staten aanstuurt.
- Tijd is geen stroom meer waarvan je de koers zelf kunt bijsturen, maar iets wat van buitenaf wordt opgelegd, en je tegelijkertijd wordt afgenomen.
- Verkiezingen zijn immers niet alleen hoogtijdagen in een parlementaire democratie, maar ook momenten waarop de koers van het land wordt bepaald.
Etymologie
**[3], [4]: in de betekenis van ‘prijs van geld, waardepapieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1497
Uitdrukkingen
- behouden koers
- dalende koers, de koers daalt
- de eigen koers varen
- de koers noteren
- de koers richten naar
- de koers uitzetten, afzetten, bepalen
- een harde koers volgen
- een obligatie uitgeven tegen een koers van
Vertalingen
Engelscourse, direction, quotation
Fransroute, direction, handel
DuitsKurs, Fahrtrichtung, Satz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek