koets
mannelijk/vrouwelijk (de)/kuts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paardenHet volk houdt zich urenlang op straat op, zelfs in het donker of als het sneeuwt. in de hoop een glimp van haar gezicht op te vangen achter het raam van haar vergulde koets.
Etymologie
* van "Kutsche", van de Hongaarse stad Kocs; in de betekenis van ‘rijtuig’ voor het eerst aangetroffen in 1536
Vertalingen
Engelscarriage, coach
DuitsKutsche
Spaansberlina, calesa, coche
Russischкарета
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek