koffer
/ˈkɔfər/
Wat is de betekenis van koffer?
koffer betekent: draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
- (verouderd) houten opbergmeubel met een deksel
Voorbeelden van "koffer" in een zin
- Albert had haar laten praten terwijl hij zijn koffer pakte. {{Aut|Lemaitre, Pierre
- Mijn zomerjurkjes zijn opgerold tot kleine stevige worstjes die ik zij aan zij in mijn koffer heb gelegd.
- In plaats van stampvoetend de kamer uit te razen, ploft ze naast mijn koffer neer op bed.
Etymologie
*via Middelnederlands "coffer" van "coffre", in de betekenis van ‘reistas’ voor het eerst aangetroffen in 1300; cognaat met Latijn "cophinus" "korf", "κόφινος" (kófinos) "korf", (quffa) "korf", "kober" en "Kober" "korf, handtas"
Vertalingen
Engelssuitcase
Fransvalise, malle
DuitsKoffer
Spaansmaleta
Italiaansvaligia
Deenskuffert
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek