koken
/ˈkokə(n)/
Wat is de betekenis van koken?
koken betekent: (ov), (natuurkunde) een vloeistof (vooral water) net zolang verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
Betekenis
werkwoord
- (ov), (natuurkunde) een vloeistof (vooral water) net zolang verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
- (erga), (natuurkunde) het proces waarbij bellen uit de hele vloeistof vrijkomen
- (ov) (kookkunst) met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
Voorbeelden van "koken" in een zin
- Het water werd gekookt.
- Water kookt bij honderd graden Celsius op zeeniveau.
- De moeder kookt iedere dag voor haar kinderen en echtgenoot.
- Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.
- Tijdens het koken zat iedereen elkaar continu te stangen alsof we elkaar al jaren kenden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhitten, spijzen toebereiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Uitdrukkingen
- Iemand in zijn eigen vet gaar smoren/laten koken — iemand niet helpen, maar zelf diens situatie laten ondervinden
- Van de kook zijn (of raken) — Helemaal in de war zijn
- koken van het bloed — zeer opgewonden of boos zijn
Vertalingen
Engelsboil, cook
Fransbouillir, cuisiner
Duitskochen, kochen
Spaanscocer
Japans沸かす, 沸く, 料理する
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek