koker
mannelijk (de)/ˈkokər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een smal cilindervormig hol voorwerp, bruikbaar als verpakkingIn de verborgen koker zat een geheim testament.
- (huishouden) een keukenapparaat waarin iets kan gekookt wordenMama was erg blij met de nieuwe koker voor haar keuken.
Etymologie
* van koken (2)
Uitdrukkingen
- uit de koker komen van — verzonnen zijn door
Vertalingen
Engelsbox, container, vessel
DuitsBehälter, Köcher, Röhre
Spaansestuche, vaina, hervidor
Deenskogger, koger
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek