kokosnoot
mannelijk/vrouwelijk (de)/'kokɔsnot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bastOp Hawaï staan veel bomen met kokosnoten erin.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vrucht van de kokospalm’ voor het eerst aangetroffen in 1602
Vertalingen
Engelscoconut
Fransnoix de coco
DuitsKokosnuss
Spaanscoco
Italiaansnoce di cocco
TurksHindistan cevizi
Poolsorzech kokosowy
Zweedskokosnöt
Deenskokosnød
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek