kolf
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een instrument voor het afzuigen en opvangen van moedermelk
- het kolfspel dat nog in een beperkt aantal plaatsen in met name Noord-Holland gespeeld wordt
- een slaghout dat gebruikt wordt in het kolfspel
- (scheikunde) een bolvormig stuk glaswerk met een afgeplatte bodem en een lange hals
- deel van een vuurwapen dat je tegen je schouder houdt tijdens het schieten
Etymologie
* In de betekenis van ‘achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelskolf
Spaansretorta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek