kolf

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een instrument voor het afzuigen en opvangen van moedermelk
  2. het kolfspel dat nog in een beperkt aantal plaatsen in met name Noord-Holland gespeeld wordt
  3. een slaghout dat gebruikt wordt in het kolfspel
  4. scheikunde (scheikunde) een bolvormig stuk glaswerk met een afgeplatte bodem en een lange hals
  5. deel van een vuurwapen dat je tegen je schouder houdt tijdens het schieten

Etymologie

* In de betekenis van ‘achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelskolf
Spaansretorta