kolom

mannelijk/vrouwelijk (de)/koˈlɔm/

Wat is de betekenis van kolom?

kolom betekent: (bouwkunde) een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil
  2. typografie (typografie) elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijde
  3. artikel in een krant
  4. een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallen

Voorbeelden van "kolom" in een zin

  • De kolommen stonden vlak voor de gevel van het gebouw.
  • De bladzijde was in twee kolommen verdeeld.
  • Als we met drieduizend of meer waren, zoals op deze voorzomerse dag, deelde de politie de burgerlijke pers mee dat we met tweeduizend waren, wat de journalisten naar beneden toe afrondden zodat drieduizend mensen op straat er een paar honderd in de kolommen werden.
  • In een spreadsheet is het gemakkelijk de getallen in een kolom op te tellen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuil, iets in de vorm van een zuil’ voor het eerst aangetroffen in 1265

Vertalingen

Engelscolumn, pillar
Spaanscolumna