kolom
mannelijk/vrouwelijk (de)/koˈlɔm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuilDe kolommen stonden vlak voor de gevel van het gebouw.
- (typografie) elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijdeDe bladzijde was in twee kolommen verdeeld.
- artikel in een krantAls we met drieduizend of meer waren, zoals op deze voorzomerse dag, deelde de politie de burgerlijke pers mee dat we met tweeduizend waren, wat de journalisten naar beneden toe afrondden zodat drieduizend mensen op straat er een paar honderd in de kolommen werden.
- een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallenIn een spreadsheet is het gemakkelijk de getallen in een kolom op te tellen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuil, iets in de vorm van een zuil’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Vertalingen
Engelscolumn, pillar
Spaanscolumna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek