rij

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    We stonden drie uur in de rij voor we de tentoonstelling binnen mochten.
    Mensen stonden in de rij om Rufïna te kunnen zien, ze wilden weten of het echt een grap was.
    Dolgelukkig sloot ik achter aan in de rij.
  2. wiskunde (wiskunde) een opeenvolging van elementen
  3. metalen liniaal (al dan niet met schaalverdeling)

Etymologie

* In de betekenis van ‘reeks’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343

Uitdrukkingen

  • In de rij staanMet zijn allen op iets staan te wachten (fig.; gezamenlijk dezelfde belangstelling voor iets of iemand hebben)
  • Ze niet allemaal/alle vijf op een rijtje hebbenNiet helemaal goed bij zijn verstand zijn (variant op [[vijfUitdrukkingen en gezegden|ze niet alle vijf [bij elkaar] hebben]])

Vertalingen

Engelsrow, sequence
DuitsReihe, Reihe
Italiaanssuccessione
Russischочередь
Poolsszereg, rząd, ciąg