kooi

mannelijk/vrouwelijk (de)/koj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    De Kooi van Faraday.
    Otto en Cornelia komen steeds dichterbij, met Lucas in zijn kooi van wilgentenen.
    Een tijdje bungelen we en zit ik muurvast geklemd in een kooi van ongelakt Italiaans hout.
  2. veeteelt (veeteelt) ~ voor dieren
    Hamsters worden meestal in een kooi gehouden.
  3. veeteelt (veeteelt) stal voor schapen, kippen of varkens
  4. scheepvaart (scheepvaart) slaapplaats aan boord van een schip
    De andere matrozen lagen al in hun kooi.

Etymologie

*via Middelnederlands "cooye" van Latijn "cavea", in de betekenis van ‘hok, stal’ aangetroffen vanaf 1287

Uitdrukkingen

  • Naar (de) kooi gaangaan slapen

Vertalingen

Engelscage, bunk, pen
Franscage, couchette
DuitsKäfig, Stall, Koje
Spaansjaula, corral, litera
Italiaansgabbia, cuccetta
Russischклетка, койка
Zweedsbur, box, koj