koopman
mannelijk (de)/ˈkopmɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep), (handel) iemand die in zijn levensonderhoud voorziet door dingen voor meer geld te verkopen dan waarvoor hij het heeft ingekochtNella mocht hem niet lezen, maar een week later hoorde ze dat ze moest musiceren voor Johannes Brandt, een Amsterdamse koopman die speciaal voor haar naar het platteland kwam.Dirk III – niet die van de drankwinkels maar de Graaf van Holland – legde in de elfde eeuw bij Vlaardingen een tolpost aan. Een koopman die daar met zijn schip langs wilde, moest betalen.Bij een onopvallende kraam ernaast bewaakt een zwetende en puffende koopman bakken met oude foto’s alsof ze van goud zijn. Kijken mag, maar alleen heel voorzichtig. De handel van deze koopman is te betalen. Oorlogsfoto’s gaan weg voor één euro per stuk.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "coopman" van Oudnederlands "coman" / "kopman", op te vatten als
Uitdrukkingen
- De koopman en de dominee — Uitdrukking die verwijst naar het streven naar winst en welvaart ("de koopman"), wanneer dat anderzijds op gespannen voet staat met morele vraagstukken ("de dominee")
Vertalingen
Engelsmerchant
Fransmarchand
DuitsKaufmann
Spaanscomerciante, mercader
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek