koot

mannelijk/vrouwelijk (de)/kot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gedeelte van de ondervoet bij het paard tussen kogelgewricht en hoef
  2. (bij uitbreiding) bikkeltje

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands cōte ‘knokkel, botje, koot, bikkel’, ontwikkeld uit Oergermaans *kutō-; verdere herkomst onzeker. Evenals West-Vlaams keute ‘uitstekend gewrichtshoofd van beenderen’ en Nederduits Köte ‘koot’; daarnaast staat ablautend Fries keat ‘koot, bikkel’.

Vertalingen

Engelspastern
Franspaturon
DuitsFessel, Köte
Spaanscuartilla
Poolspęcina