koppelriem

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. brede riem om het middel vaak gemaakt van leer en met zware gesp, oorspronkelijk voor het bevestigen van de sabel
    Maar ook voor taalliefhebbers levert dit ‘doorrekencircus’ altijd weer een hoop te genieten op. Neem het woord ‘rekenmeesters’, zoals de CPB’ers worden genoemd. Als ik het hoor, zie ik een groepje outlaws voor me, met lange jassen op paarden en de calculators in hun koppelriemen. Elke politieke partij dagen ze uit tot een duel bij het ochtendgloren. En niet elke partij durft dat aan, kijk naar de PVV, de PvdD en 50Plus, die niet willen dat er op hun programma’s geschoten wordt.NRC Japke-d. Bouma 16 februari 2017
    Tussen de uitgestalde zaken ligt trouwens ook een Wehrmacht-koppelriem met het opschrift 'Gott mit Uns'. Een herinnering aan een ander, nog grimmiger Duits verleden.Volkskrant ROLF BOS 28 mei 2013
    Luitenant Pradelle staat boven, zijn benen uit elkaar, zijn handen stevig op zijn koppelriem geplant. Achter hem de onregelmatig opflakkerende schijnsels van het gevecht. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Vertalingen

Engelssword-belt