koppig

/ˈkɔpəx/

Wat is de betekenis van koppig?

koppig betekent: vasthoudend aan eigen wil of inzicht

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. woorden met artikelreferenties vasthoudend aan eigen wil of inzicht

Voorbeelden van "koppig" in een zin

  • Hoe gaan die koppige Nederlanders dan toch een fietshelm dragen? In het plan van minister Madlener wordt "zelfovertuiging" genoemd als belangrijkste tactiek.

Betekenis en uitleg van koppig

Koppig betekent dat iemand vasthoudend is aan zijn mening of besluit, zelfs als er goede redenen zijn om van gedachten te veranderen. Het verwijst naar een sterke wil die soms kan overkomen als een gebrek aan flexibiliteit.

Dit woord wordt vaak gebruikt om mensen te beschrijven die niet snel toegeven of hun standpunt aanpassen, ook al zijn ze in de minderheid. Het kan zowel positief als negatief worden opgevat: soms is koppigheid een teken van doorzettingsvermogen, maar het kan ook leiden tot conflicten of onbegrip in sociale situaties.

Voorbeelden

  • Mijn broer is zo koppig dat hij nooit toegeeft dat hij ongelijk heeft, zelfs als het over kleine dingen gaat.
  • De koppige hond weigerde naar zijn baasje te komen, ondanks de lekkernijen die werden aangeboden.
  • Tijdens de vergadering was het duidelijk dat de directeur koppig vasthield aan zijn oorspronkelijke plan, ondanks de bezwaren van zijn team.

Woordoorsprong

Het woord 'koppig' komt van het Middelnederlandse 'coppe', wat 'hoofd' betekent, en verwijst naar het hardnekkige karakter van iemand die zijn hoofd niet laat buigen.

Veelgestelde vragen over koppig

Wat is de betekenis van koppig?

koppig betekent: vasthoudend aan eigen wil of inzicht

Hoe gebruik je koppig in een zin?

Voorbeeld: “Hoe gaan die koppige Nederlanders dan toch een fietshelm dragen? In het plan van minister Madlener wordt "zelfovertuiging" genoemd als belangrijkste tactiek.

Etymologie

afgeleid van kop met het achtervoegsel -ig

Vertalingen

Duitsdickköpfig, störrisch, stur
Engelsstubborn, obstinate
Franstêtu
Poolsuparty
Spaansobstinado, cabezudo, cabezota, tozudo, terco
wamacté