kortsluiting

vrouwelijk (de)/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring

Etymologie

* van kortsluiten

Vertalingen

Engelsshort-circuit
Franscourt-circuit
DuitsKurzschluss
Spaanscortocircuito