kossem

mannelijk (de)/ˈkɔsəm/

Wat is de betekenis van kossem?

kossem betekent: halskwab van een rund

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. halskwab van een rund
  2. verouderd (verouderd) onderkin van een mens

Voorbeelden van "kossem" in een zin

  • Daarvoor in de plaats moesten van nu af aan de koeien onder de hoogtezon, om haar opbrengst aan melk te verdubbelen, hetgeen zij, klaarblijkelijk uit dankbaarheid voor het niet geslacht worden, zo bereidwillig deden dat zij, na een korte tijd van aanpassing, de uier al dadelijk onder de kossem lieten beginnen.
  • Een schijnheilige, geile oude met doodsen blik steekt den toegepersten mond vooruit boven een blauwe, platte kin, die één is met den gerimpelden kossem van den hals.

Etymologie

*Vergelijk Middelnederlands "coder" "halskwab" en "kodder" "slijm" en "Köder" "aas, voer"; in dialect ook: "onderkin". De hierin herkenbare wortel "kod" staat mogelijk in verband met "cud" "te herkauwen voedsel" en hiervan is dan wellicht al in het Oergermaans een afleiding gemaakt met '-smôn' dat "zwelling" zou aangeven, vergelijk "kusma" "bof"