kraal
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde) een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal, voornamelijk bedoeld als versieringJe kunt kraaltjes rijgen tot een ketting of in een patroon op iets aanbrengen.
- (bij uitbreiding) een bolrond voorwerpjeHet gesmolten metaal verzamelde zich in kraaltjes op de bodem.
- (metallurgie) een ronde verdikking in een dunne laag metaal
- (veeteelt) een omheinde ruimte, gewoonlijk voor het houden van vee
Etymologie
* In de betekenis van ‘element van sierketting’ voor het eerst aangetroffen in 1480
Vertalingen
Engelsbead, corral, enclosure
Fransperle
Spaansabalorio, cuenta, grano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek