krakken
/ˈkrɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een kort geluid voortbrengen, alsof iets breekt
- (ov) met een kort geluid of een korte ruk breken
- (ov) met gaffelvormige stutten ondersteunen
Etymologie
*[B] van "kraka" "ondersteunen" of afgeleid van "krak" [B]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek