krat
alle geslachten/krɑt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
Etymologie
*van Middelnederlands "cratte" "vlechtwerk, tenen mat of korf"; in de betekenis van ‘kist van open latwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1911
Vertalingen
Engelscrate
Franscagette, cageot
Spaansbotellero, caja
Portugeescaixote
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek