kriek
mannelijk/vrouwelijk (de)/krik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) (ten Noorden van de Moerdijk:) laatrijpe, bijna zwarte, zeer zoete kers met grote pit
- (fruit) zure kers, steenvrucht van
- (bloemplanten) bepaald soort vruchtboom,
- (drinken) uit België afkomstig bier, gewoonlijk op basis van lambiek of geuze, waaraan het sap van zure kersen is toegevoegd
Etymologie
*van Middelnederlands "crieke", in de betekenis van ‘kers’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Vertalingen
Engelscricket
Spaanscereza agria, cereza amarga, cereza silvestre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek