kroepoek
mannelijk (de)/ˈkrupuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) een gerecht van Indonesische oorsprong op basis van garnaal gebakken in olie tot een knapperig schuimIn ieder schaaltje is weer wat anders, b.v. gedroogde garnalen, kleine stukjes gedroogd vleesch, aan schijfjes gesneden rauwe komkommers, gezouten eendeneieren half doorgesneden en in de schaal opgediend, stukjes lobak (Indische radijs), kleine stukjes troeboek (kuit van de troeboekvisch), roode vischjes, ook genaamd Makassaarsche vischjes, een keurige toespijs, zijnde rood gemaakte vischjes van de lengte van een lucifer zoo ongeveer, fijn gesneden uien of steelen van uien, tangeh (in het donker ultgeloopen kleine, groene boontjes), kroepoek (kleine koekjes van garnalen of visch, die bij het bakken tot een vrij groot koekje uitzetten).Ik heb gisteren kroepoek gebakken.
Etymologie
**in de (expliciet beschreven) betekenis van ‘koekjes van vis of garnalen’ voor het eerst aangetroffen in 1900 (zie de vindplaats hieronder)
Vertalingen
Engelsprawn cracker
Franskrupuk, chips de crevettes
Spaanskeropok, snack de gamba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek