kronkelen

/ˈkrɔŋkələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) in veel bochten ergens heen lopen of bewegen
    Het bergpad kronkelt naar boven.
  2. inerg (inerg) heen en weer zich in bochten wringen
    Er werd heftig gekronkeld en gefoeterd, maar los kwamen ze niet.
  3. refl (refl) zich ~: kronkelend zijn weg gaan
    De weg kronkelde zich langs de rivier.

Etymologie

*Afgeleid van kronkel

Uitdrukkingen

  • kronkelen als een aal
  • kronkelen als een paling
  • kronkelen als een slang

Vertalingen

Engelswiggle
Fransserpenter
Duitsschlängeln
Spaansculebrear, serpentear