kronkelen
/ˈkrɔŋkələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) in veel bochten ergens heen lopen of bewegenHet bergpad kronkelt naar boven.
- (inerg) heen en weer zich in bochten wringenEr werd heftig gekronkeld en gefoeterd, maar los kwamen ze niet.
- (refl) zich ~: kronkelend zijn weg gaanDe weg kronkelde zich langs de rivier.
Etymologie
*Afgeleid van kronkel
Uitdrukkingen
- kronkelen als een aal
- kronkelen als een paling
- kronkelen als een slang
Vertalingen
Engelswiggle
Fransserpenter
Duitsschlängeln
Spaansculebrear, serpentear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek