kroonkurk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkronkʏrk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een metalen dopje voor het afsluiten van flessen
    In het zelfbedieningsrestaurant stond een bakje voor de kroonkurken.

Vertalingen

Engelscrown cork
DuitsKronkorken
Spaanschapa, tapón corona