kroonvogel

mannelijk (de)/ˈkroɱvoɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor vogels met een sierlijke kuif
  2. benaming voor een bepaalde grote Afrikaanse kraanvogelachtige,

Etymologie

**[2] vanwege de rechtopstaande goudkleurige veren op de kop