kruien

/ˈkrœy̯ə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets vervoeren op een karretje of kruiwagen
    Hij kruide de stenen naar de metselaars.
    Terwijl hij een kruiwagen geladen met steenen, naar het schip krooi viel hij van de loopplank en verdween in de diepte.Rotterdamsch Nieuwsblad 30 aug 1901
  2. erga, waterbeheer (erga) (waterbeheer) van ijsschollen over en op elkaar schuiven
  3. ov (ov) een molen met de wieken op de wind zetten

Etymologie

*(erfwoord): crūden ‘stoten, duwen, stuwen, kruien’, ontwikkeld uit Oergermaans *kreudan- ~ *krūdan- ‘voortduwen’, misschien bij een Indo-Europese wortel *gʷru-, waartoe ook Oudgrieks brýein ‘ontspruiten, kiemen’ behoort. Evenals Oudengels crēodan, crūdan ‘drukken, persen’ en Noors dial. kryda (pret. kraud) ‘wemelen, samenstromen’.