kruim

/ˈkrœym/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kruimel
  2. het zachte binnenste van een brood
  3. figuurlijk (figuurlijk) (Zuid-Nederlands) het beste deel van iets

Etymologie

* In de betekenis van ‘kruimel, binnenste van brood’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Uitdrukkingen

  • Veel moeite kosten