kruim
/ˈkrœym/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kruimel
- het zachte binnenste van een brood
- (figuurlijk) (Zuid-Nederlands) het beste deel van iets
Etymologie
* In de betekenis van ‘kruimel, binnenste van brood’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Uitdrukkingen
- Veel moeite kosten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek