kruipertje
/ˈkrœypərcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort wilde eenjarige of vaste plant, uit de grassenfamilie ()
Etymologie
**[2] wellicht omdat aren die in je kleren zijn gestoken uit zichzelf verder lijken te kruipen
Vertalingen
Spaanscebadilla ratonera, espiguilla, hierba cebaera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek