kruis
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wiskunde) geometrisch figuur waarin twee rechte lijnen elkaar snijden
- constructie van twee onder een hoek aan elkaar vastgemaakte onderdelen
- ongeluk of ellende
- symbolisch teken (het rode kruis, hakenkruis, Andreaskruis)' Ik zag dat Quick met trillende hand een dik zwart kruis bij 28 november in haar agenda zette.
- (religie) christelijk religieus symbool afgeleid van de kruisiging van Jezus ChristusHet kruis van Olaf toont zich in volledige en volle glorie aan me.Als ik de volle maan zie sla ik vreemd genoeg altijd een kruis, kus mijn duim en wijs naar de maan als gebaar van dankbaarheid voor de rijke ervaringen in mijn leven en de mensen om mij heen.Ook al ben ik geen katholiek, toch sla ik vaak een kruisje voor mijn borst.
- (militair) militaire onderscheiding
- (anatomie) deel van het menselijk lichaam waar de benen samenkomenIn de tram was ik me bewust van mijn schaamlippen die tegen de naden van het kruis van de joggingbroek aan schuurden.In de tram was ik me bewust van mijn schaamlippen die tegen de naden van het kruis van de joggingbroek aan schuurden.
- (kleding) plaats waar de pijpen van een broek samenkomen
- (muziek) teken in de muzieknotatie dat de verhoging van een toon met een halve stap aangeeft
- (biologie) achterste deel van paardachtige dieren
- (wiskunde) plusteken of maalteken
- (medisch) een van de kruisverenigingen
- (numismatiek) een van beide zijden van een munt
- folterwerktuig.
- (scheepvaart) bovendeel van een anker
Etymologie
*Van het Latijnse crux.
Uitdrukkingen
- Elk huis(je) heeft zijn kruis(je). — Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke problemen, die vaak niet bij anderen bekend zijn
- God geeft kracht naar kruis.
- Ieder moet zijn eigen kruis dragen.
- Men draagt het kruis niet altijd op zijn rug.
- Onze lieve Heer van het kruis bidden.
- Twee geloven in een huis is een groot kruis.
- Iemand het (heilig) kruis (achter)nageven — Iemand verwensen; hopen dat bezoek niet terugkomt
- Iemand het kruis uit de broek vragen
Vertalingen
Engelscross, cross
Franscroix, croix
DuitsKreuz, Kreuz, Kreuz
Spaanscruz, cruz
Italiaanscroce, croce
Portugeescruz, cruz
Russischкрест
Poolskrzyż, krzyż
Zweedskors, kryss
Deenskors
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek