kruiser

mannelijk (de)/ˈkrœʏsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair, scheepvaart (militair) (scheepvaart) een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
    Drie kruisers zetten de achtervolging in.
    Gedurende het dappere maar zinloze verzet brachten ze drie Duitse kruisers en meerdere torpedojagers tot zinken, vooral in het noorden leden de Duitsers zware verliezen.
  2. scheepvaart (scheepvaart) een type jacht
    Drie kruisers hielden een wedstrijd.

Etymologie

* van kruisen

Vertalingen

Engelscruiser, cruiser, cabin cruiser
Franscroiseur, cruiser
DuitsKreuzer, Kreuzer
Spaanscrucero