kus

mannelijk (de)/kʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
    Zij gaf haar baby een kus op het voorhoofd.
    Kijk nu eens naar haar mond en stel je een ogenblik voor dat je onze Albert bent. Van die mond had hij warme, tedere kussen gekregen, die zijn buik optilden tot hij op springen stond, hij had haar speeksel in zijn mond voelen stromen en het met grote hartstocht opgezogen, Cécile was in staat tot zulke wonderen, dat ze niet zomaar een meisje was. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Ik kon niet horen wat ze zeiden, ik kon alleen hun lichaamstaal bestuderen, het ritueel van een zak waarop werd geklopt, hoofden die zich naar elkaar toe bogen als voor een kus terwijl de aansteker werd opgehouden en de sigaret werd aangestoken, een been dat koket naar achteren werd gestoken en tegen een muur geplaatst.

Vertalingen

Engelskiss
Fransbaiser, bise
DuitsKuss
Spaansbeso
Italiaansbacio
Russischпоцелу́й
Poolspocałunek
Zweedskyss
Deenskys