kwinkeleren

/ˌkwɪŋkəˈlerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. vrolijk zingen van vogels
    Bij dieren weten we al lang dat de smaak van de vrouwtjes mee heeft bepaald hoe het uiterlijk van de mannetjes geëvolueerd is. Of denkt u echt dat een mannetjespauw voor zijn plezier zo’n hinderlijke staart achter zich aan sleept? Dat een hertengewei handig is in het bos? Dat een mannetjesmerel op de hoogste tak en in volle zicht van alle roofvogels zit te kwinkeleren uit pure liefde voor muziek? Darwin erkende al het belang van seksuele selectie - en zat ermee in zijn maag, in de preutse tijd waarin hij leefde.De Standaard 09/04/2013
  2. vrolijk zingen in het algemeen
    Op Citizen Of Glass is de piano juist minder prominent. Haar zang wordt nu omkleed door pizzicato bespeelde cello’s en zacht galmende strijkers. Er is getokkel op de harp en een assortiment aan efemere klanken die als waterdamp tussen zang en strijkers hangen. De liedjes zijn gevoelig maar krachtig, met ijle cello’s die hun stoere strijkkracht hervinden, een prachtig mozaïek van percussie en marimba in bijvoorbeeld ‘Golden Green’, en een vanouds kwinkelerende piano in ‘Mary’.NRC Hester Carvalho 26 oktober 2016

Etymologie

*(klanknabootsing), in de betekenis van ‘vrolijk zingen (van vogels)’ aangetroffen vanaf 1556

Vertalingen

Engelschirp